| Paddenstoelen als indicatoren voor de kwaliteit en het beheer van onze natuurreservaten |
|
In het Vlaamse natuurbeleid komen paddenstoelen echter zelden of nooit aan bod. Ten onrechte, want paddenstoelen vertellen ons heel wat over de toestand van natuur en milieu. Dit artikel gaat verder in op het gebruik van paddenstoelen als bio indicatoren. Sommige paddenstoelen blijken een grote indicatorwaarde te hebben voor een aantal factoren van verstoring zoals luchtverontreiniging, zure neerslag, verontreiniging met zware metalen of voor het bepalen van natuurwaarde van terreinen. In een aantal gevallen lenen paddenstoelen zich zelfs beter als bioindicatoren dan hogere planten. De ecologische kennis van paddenstoelen, staat echter ver achter op deze van hogere planten, door de grotere complexiteit en de relatief geringe kennis van de systematiek. Recent is er meer interesse naar de ecologie van paddenstoelen: een nieuw onderzoeksveld, de mycosociologie, is de studie van de relatie tussen paddenstoelen en hun omgeving. In Nederland is men hier al veel langer mee bezig: gebieden met waardevolle soorten worden steevast opgevolgd aan de hand van het paddenstoelenmeetnet (Arnolds & Veerkamp, 1998)1 . Een RodeLijst met ecologie van de paddenstoelen in Nederland werd gepubliceerd in 1995 (Arnolds)2 .Vlaanderen holt Nederland achterna met een voorlopige Rode Lijst van de best gekende groepen (Walleyn & Verbeken), die werd gepubliceerd in 2000. LevenswijzeOm de ecologie van paddenstoelen te begrijpen, is het nodig om even dieper in te gaan op hun levenswijze. Paddenstoelen zijn te onderscheiden van planten doordat ze geen bladgroen bezitten en dus zelf geen voedsel kunnen produceren door middel van fotosynthese. Zwammen zijn opgebouwd uit een ondergronds netwerk van draden (zwamvlok of mycelium), waaruit onder geschikte omstandigheden, vruchtlichamen, of wat wij paddenstoelen noemen, ontspruiten. Paddenstoelen zijn de vruchten van de zwamvlok, die sporen vormen, waaruit een nieuwe zwamvlok groeit, die een nieuwe geschikt habitat kan koloniseren. Aan de hand van hun voedingswijze kunnen we paddenstoelen indelen in drie groepen: saprofyten (opruimers), parasieten en symbionten (boombegeleiders). Saprofyten zorgen samen met bacteriën voor de omzetting van dood organisch materiaal (takken, bladeren, humus, mest,…) in voor planten opneembare minerale stoffen. Ze vervullen als opruimers, een essentiële rol in de stoffenkringloop. Vooral in zure en voedselarme omstandigheden spelen zwammen een hoofdrol in dit proces. Voorbeelden van afbrekers zijn: de Grote stinkzwam, een toenemende saprofyt op voedselrijke bodems en de mooie, in het voorjaar verschijnende, zeldzame Rode kelkzwam die saprotroof is op verteerd loofhout, op voedselarme, vaak kalkrijke bodems. Parasieten teren op levende organismen om aan hun voedsel te geraken. Naast planten, worden ook zwammen, dieren en zelfs mensen geparasiteerd. Een alom gevreesde parasiet bij bosbouwers, is de Honingzwam. Deze zwakteparasiet tast eerder verzwakte bomen aan, dringt binnen via de wortels en verhindert de sapstroom, met de dood tot gevolg. Symbionten leven vaak zodanig intiem samen met hogere planten, dat ze zonder elkaar niet meer kunnen overleven. De zwamvlok vormt een netwerk rond de wortels van een boom of struik en op bepaalde plaatsen gebeurt er uitwisseling tussen beiden. Symbionten tappen de nodige suikers rechtstreeks uit de wortels van de boom en in ruil geven zij voedingsstoffen, waaraan zij veel gemakkelijker geraken met hun fijn netwerk van zwamdraden tot diep in de bodem, aan de boom. Symbionten zijn zeer belangrijk voor de vitaliteit van de meeste inlandse bomen (Eik, Beuk, Berk, Hazelaar, Linde, Els, Kastanje, Wilg, Populier) en hun biotopen. Klassieke voorbeelden van beter gekende symbionten zijn Eekhoorntjesbrood, Vliegenzwam, Aardappelbovist en Hanenkam. Paddestoelen als bioindicatorenPaddenstoelen kunnen met hun zeer kleine sporen nieuwe geschikte terreinen gemakkelijk en snel bereiken, in tegenstelling tot de grotere en zwaardere zaden van planten. Bovendien kunnen planten, eenmaal aanwezig, nog wel enige tijd standhouden onder gewijzigde milieuomstandigheden, terwijl kieming dan misschien al niet meer mogelijk is (Keizer, 2003). Onderzoek in ondermeer Engeland en Nederland heeft aangetoond dat symbionten snel achteruitgaan of zelfs compleet verdwijnen bij verstoring van het broze evenwicht tussen de zwam en de waardplant. Bovendien is de vorming van vruchtlichamen een proces dat erg gevoelig is aan de veranderingen in het milieu. Verschillende milieuvariabelenPaddenstoelen zijn net zoals planten, mossen en korstmossen goede indicatoren voor het stikstofgehalte en de zuurtegraad van een terrein. De Gewone morielje is bijvoorbeeld net zoals orchideeën, een geschikte indicator voor een kalkrijke bodem.De vegetatie is een betere indicator voor verdroging en betreding. Paddenstoelen zijn daarentegen betere indicatoren voor de gezondheidstoestand van bomen, de ouderdom van terreinen, strooiselophoping en luchtverontreiniging die verzuring en vermesting van de bodem tot gevolg heeft. Parasieten vallen enkel verzwakte bomen aan, aantasting van bomen door parasieten vertelt dus meer over de vitaliteit van die bomen, de Gele wasplaat komt enkel voor op zeer oude, ongestoorde graslanden en de Nevelzwam, een liefhebber van dikke pakketten strooisel in het bos, is de laatste jaren sterk in opmars. Kwantiteit en KwaliteitHet inschatten van natuurwaarden van gebieden op basis van de mycoflora kan op verschillende manieren gebeuren. De soortenrijkdom van een gebied is een belangrijk aspect dat de natuurwaarde zal bepalen. Hierbij moet wel rekening gehouden worden met de inventarisatiegraad. Wanneer een gebied bijvoorbeeld door specialisten bezocht wordt, kan de soortenrijkdom hier sterk stijgen ten opzichte van niet door specialisten bezochte, mogelijks interessantere gebieden. Meer informatie dan het aantal soorten geeft de bedreigingsgraad van de waargenomen soorten. De Rode Lijst van Vlaanderen (Walleyn & Verbeken, 2000) en in de meeste gevallen ook deze van Nederland (Arnolds, 1995), is bruikbaar voor gebieden in Vlaanderen. Meer informatie wordt ook verkregen uit het percentage van de 3 ecologische groepen (parasieten, saprofyten, symbionten) op het totaal aantal soorten in een gebied. Indien het beheer in een gebied onveranderd blijft, zouden deze percentages op korte termijn (10 jaar) stabiel moeten zijn, indien de inventarisaties op uniforme manier is verlopen. Fluctuaties van jaar tot jaar, zijn te wijten aan weersomstandigheden. Bij veroudering van bossen, zal het aandeel saprofyten en parasieten sowieso stijgen, maar een abnormale daling van het aandeel symbionten kan een alarmerend teken zijn voor de vitaliteit van het bos. Indicatorsoorten voor bos en graslandenIngaan op alle milieus (heide, veen, broekbos, loof- en naaldbos en halfnatuurlijke graslanden) waarin paddestoelen voorkomen en bedreigd zijn, zou ons hier te ver leiden. Interessant om lezen is “Paddestoelenvriendelijk Natuurbeheer” van Keizer (2003), een boek dat ook voor niet-kenners is geschreven en vooral gericht is op het geven van praktische beheertips voor het behoud van paddenstoelen. In dit artikel worden paddenstoelen als indicatorsoorten in bosgebieden en graslanden verder besproken en voor graslanden, gedocumenteerd met enkele concrete voorbeelden uit de praktijk. Loof - en naaldbossenIn loof- en naaldhoutaanplanten komen weinig hogere planten voor. Daar zijn het de paddenstoelen die belangrijke informatie verschaffen over de specifieke milieueigenschappen van het terrein. Zwammen gaan hoofdzakelijk een symbiose aan met bomen op voedselarme gronden. Op deze plaatsen heeft de boom zijn symbiont het hardst nodig om aan voedsel te geraken. Door overbemesting zijn dit soort bossen steeds schaarser en is het merendeel van de symbionten bedreigd. Van de bestudeerde symbionten in Vlaanderen staat 68 % op de Rode Lijst (Walleyn & Verbeken, 2000). In loofbossen, en nog meer in naaldbossen op zandgrond, zijn de symbionten, de laatste 50 jaar, het sterkst afgenomen. Bossen op kalkrijke zwaardere bodems zijn beter gebufferd tegen factoren als verzuring en vermesting. Voorbeelden hiervan zijn het Zoniënwoud en het Meerdaalwoud, bosgebieden die nog heel wat zeldzaam geworden soorten herbergen. Aanwezigheid van symbionten uit bepaalde groepen (Stekelzwammen, Hanenkammen, Boleten, Ridderzwammen, Gordijnzwammen, Melkzwammen en Russula’s) kan als positief beschouwd worden. Het percentage aan symbionten in een bos zegt veel over de vitaliteit van een bosopstand. Als dit percentage ongeveer 50 % bedraagt, dan is het bos in goede conditie (Roos et al., 2000). Bij ophoping van strooisel zal het aandeel saprofyten toenemen en bij verzwakking van de bomen zal het aandeel parasieten toenemen. Opvallend is, dat niet alleen de symbionten achteruitgaan, maar bij overdreven ophoping van strooisel gaan ook bepaalde saprofyten achteruit, terwijl strooiselminnende soorten daarvan profiteren. Strooiselophoping hoort bij de veroudering van een bos, maar overdreven strooiselophoping is negatief. Hoge stikstofdepositie leidt tot een versnelde bossuccessie, waarbij het aantal symbionten te snel afneemt.
|
| Laatste aanpassing ( vrijdag 26 juni 2009 10:11 ) |
