| Cultuur-historisch Moervaart-Zuidlede vallei |
Geologische gegevens van het valleigebied van Moervaart en ZuidledeDe drie alluvia die men in Zandig-Vlaanderen kan onderscheiden zijn de Kalevallei, de Moervaartvallei en de Durmevallei. Ze behoren alle drie tot het gebied van de Vlaamse vallei. Tijdens het Holoceen hadden grote zandverstuivingen plaats door de hevige NW-winden. Hierdoor waaiden de zandige materialen uit het valleigebied op en werden verder terug vastgelegd op de hogere randen. Zo ontstonden er, vooral tijdens het Boreaal, stuifzandduinen (of landduinen) langs de rivieren. In het Atlanticum werden de valleien opgevuld met terrigeen materiaal (rivieralluvium) met een zandlemige tot zwaar kleiige textuur. In de drassige alluviale vlakten trad er veenvorming op. In de lage kommen werden meren gevormd (het grootste meer was gelegen tussen Moerbeke en Wachtebeke) waarin tot 2 m kalkrijke sedimenten, zogenaamde moeraskalk (mergel), werden afgezet. De Moervaartvallei is een brede, zeer vlakke depressie met een asymmetrische vorm, namelijk een steile noordrand (stuifzandrug) en een zeer zwak hellende zuidrand. Het grootste gedeelte van de Moervaartvallei wordt ingenomen door gronden op mergelig materiaal. De bovenlaag (10-30 cm dik) bestaat meestal uit bruinzwart, kalkrijk, kleiig veen, soms uit (zeer) donker grijsbruine, kalkrijke zandleem. Hieronder komt soms een kleilaagje van enkele cm voor. De verdere opbouw van het profiel is als volgt: een 20-80 cm dikke wit-grijze mergellaag (mengsel van klei en koolzure kalk waarbij het kalkgehalte hier varieert tussen de 50-90%) rustend op zandig, kalkrijk materiaal. Plaatselijk komt tussen de mergel en het zand een dun veenlaagje voor. Ter hoogte van de Reepkens werd een 2 meter dikke veenlaag aangetroffen bij het plaatsen van peilbuizen. De Moervaartvallei is een 2 – 2,5 km brede, vlakke depressie met als laagste punten 3 – 4 m ten opzichte van T.A.W. De noordrand is nogal steil (plots hoogteverschil van 4 m over 1 km). Deze nagenoeg onbewoonde vlakte wordt momenteel hoofdzakelijk ingenomen door akkerbouw, met hier en daar een perceel weiland of populieren. Deze evolutie dateert van de laatste 50 jaar. In de jaren 50 van vorige eeuw was nog 80-90% van het valleigebied weiland. De grootschalige omzetting naar akkergebied kon slechts gebeuren door het versneld plaatsen en beheren van pompgemalen (19 pompgemalen aanwezig in 2005, tegenover 5 in de jaren 50) in de vallei. Door het terrein loopt diagonaal, van NO naar ZW, een onregelmatige waterloop die noordwaarts aansluit bij de Bosbeek en ten zuiden bij de Zwarte Beek. Het terrein wordt tot op heden, net als de rest van de vallei, kunstmatig ontwaterd via trekgrachten. Het water wordt dan via de Zuidlede en de Moervaart afgevoerd naar het Kanaal Gent-Terneuzen. Hydrologische gegevens van het valleigebied van Moervaart en ZuidledeHet gemiddelde Waterpeil van de Moervaart is 4.54 ± 0.05 m met gemiddelde maxima en minima van respectievelijk 4.65 en 4.48 m. Deze gemiddelde waarde wordt bepaald door het waterpeil op het kanaal Gent-Terneuzen. Het normale waterpeil op dit Kanaal bedraagt +4.50 T.A.W. De Moervaart en Zuidlede hebben geen bodemverhang (oorspronkelijk waren ze een onderdeel van de Durme (Kale) met bronnen in Aalter en Tielt – het verhang is dus richting Lokeren; in de jaren 1960 werd een dam aangelegd in de Durme te Lokeren). Afvoer naar het kanaal Gent-Terneuzen is dan ook slechts mogelijk wanneer het waterpeil opwaarts hoger is dan in het kanaal Gent-Terneuzen. Er moet dus een oppervlaktehelling of verhang aanwezig zijn. Gezien de problematiek van mogelijke wateroverlast in de Leie en de noodzaak van een minimum waterpeil voor het kanaal Gent-Terneuzen is het duidelijk dat de huidige waterstand niet verlaagd (eerder verhoogd) zal worden. Het hoge gemiddelde waterpeil van de Moervaart – geregeld door het normale waterpeil van het kanaal Gent-Terneuzen – is op vele plaatsen hoger dan het omliggende land en verklaart de noodzakelijke aanwezigheid van verschillende pompgemalen. De meeste van deze pompgemalen zijn in beheer van de Polder Moervaart-Zuidlede. Van deze pompgemalen zijn de aanslag- en afslagpeilen niet gekend of vrijgegeven. Tot slot betrekt het Domein Puyenbroeck via een pompgemaal een niet gekend volume water uit de Zuidlede. Door slechte instelling van de aanslag- en afslagpeilen van de pompgemalen en door grondwaterwinning bestaat vooral in de zomerperiode het gevaar voor waterschaarste en het verminderen of zelfs wegvallen van kwel in de Moervaartvallei. Hierdoor komen waardevolle biotopen zoals broekbossen, dotterbloemgraslanden en dergelijke onder druk te staan. Een belangrijke parameter is de waterkwaliteit van de Moervaart die in rechtstreeks contact staat met het moerasgebied. De gebruikte gegevens werden opgemeten ter hoogte van de Overledebrug (meetpunt 39000) die bemonsterd wordt door de VMM. Deze meetresultaten zijn op dit ogenblik vergelijkbaar met de andere meetpunten op de Moervaart. Tussen 1990 en 1994 was de PIO (Prati-Index Opgeloste zuurstof) schommelend tussen 6.3 (verontreinigd) en 8.3 (zwaar verontreinigd) en de BBI (Belgisch biotische index) omstreeks 3 (slechte kwaliteit) en 5 (matige kwaliteit). Recentere waarnemingen tonen een betere waterkwaliteit: de PIO bedraagt 4.0 tot 5.6 (matig verontreinigd tot verontreinigd) en een BBI van 6 (matige kwaliteit). De waterkwaliteit, alhoewel over de jaren verbeterd, voldoet tot op heden slechts aan de basiskwaliteit. Ook de Zuidlede heeft een vergelijkbare kwaliteit. Dit is vooral te wijten aan de aanvoer van het huishoudelijk afvalwater van Eksaarde, Lochristi en Zaffelare. Deze toestand zou nu verbeterd moeten zijn met de aanleg van collectoren die het huishoudelijk afval naar de waterzuiveringsinstallatie van Moerbeke brengen. In de infofiche van de Milieuboot (April 2002) wordt de bodemkwaliteit van de waterlopen voor meer dan de helft van de onderzochte locaties beschreven als zijnde zeer slecht. De recente uitdieping van de Moervaart (2002-2003) met verwijdering van het slib en de aansluiting van het rioleringssyteem op het waterzuiveringsstation in Moerbeke kunnen in de toekomst de verbetering van de bodem- en waterkwaliteit in de hand werken. Dit zal hoogstwaarschijnlijk een positief effect hebben.. Historische gegevens van het valleigebied van Moervaart en ZuidledeDe vallei van de Moervaart en Zuidlede, waarin de Turfmeersen, de Reepkens en de Etbos zijn gelegen, was ooit een nagenoeg ondoordringbaar moeras; in de landboeken werd gesproken over “wastines” en “moere”. Geschiedkundige bronnen vermelden dat reeds heel lang geleden turf werd ontgonnen in de “moere”. Reeds ten tijde van de Romeinse overheersing is er sprake van turfsteken, waarschijnlijk sporadisch en voor plaatselijk gebruik. De Turfmeersen maakten deel uit van een ‘dorpsmoer’, één der drie grote moeren die in de vallei te Moerbeke-Waas voorkwamen. Het duurde echter tot de vroege middeleeuwen eer er van echte ontginning kan gesproken worden. In de 16de eeuw werd de Moervaart gekanaliseerd. Het was namelijk een belangrijke transportweg voor schepen met turf. Het zijn voornamelijk de kloosterlingen van de Gentse abdijen van Sint-Pieter en Sint-Bavo en de abdij van Marquette (Rijsel) die voor de ontginning en vormgeving van de vallei instonden. Tot de omliggende meersen behoorden waarschijnlijk ‘de Turfmeersen’ en ‘de Reepkens’ (de Marquette meersen). De kloosterlingen groeven rechte ontwateringskanaaltjes, dijkten de Moervaart en Zuidlede in, staken turf en hooilanden werden in gebruik genomen. Deze typische rechtlijnige elementen zijn nog goed in de Moervaartvallei te herkennen. Uit de Wachtebeekse Landboeken, de voorlopers van onze huidige kadastrale leggers, leren we dat het toponiem "Reepkens" is afgeleid van de vorm van het terrein, nl. lange, smalle stukken; als het ware repen in het landschap of op de kadasterplannen. De eigenaars anno 1662 waren cijnsplichtig aan de abdij van Marquette. De parochie Wachtebeke was verdeeld in 64 belopen, wat we nu een kadastrale sectie zouden noemen. Sommige ervan telden maar enkele percelen, andere omvatten dan weer enige honderden. De belopen waren altijd begrensd door bestaande straten, land- of waterwegen. Die verdeling in belopen treffen we aan in het landboek "ghenaempt evenynckbouck" dat in 1662 - 1663 werd opgesteld. Het hele werk omvatte twee lijvige boekdelen. Het bijhorend kaartenboek wordt bewaard in het Gemeentelijke Archief van Wachtebeke, dat gehuisvest is in het gemeentehuis. De stroomrichting van de Moervaart liep tot de helft van vorige eeuw van Rodenhuize (Gent) via Sint-Kruis-Winkel, Wachtebeke en Moerbeke naar de Durme te Lokeren. Eb en vloed werden tweemaal per dag vastgesteld. Krabben en zoetwaterkreeft werden toen waargenomen terwijl zoetwatermossels zich vasthechtten aan de brugpeilers. Ten voordele van de aanwezige nijverheid (vnl. de suikerfabriek te Moerbeke) en om de instandhouding van de omliggende landerijen te bestendigen, wou de overheid een constant waterpeil. Er werd een afdamming op de Durme te Lokeren gebouwd en de sluis ter hoogte van Rodenhuyze werd verwijderd. Zo werd de stroomrichting omgekeerd en werd de vroegere linkeroever de huidige rechteroever (noordzijde van de Moervaart) en omgekeerd. De waterloop die door het beheerde deel van de Turfmeersen loopt, zou een oude moereloop (Moervaart) zijn en vermoedelijk door turfsteken ontstaan: ‘De Moere vloeide een tijdlang bezijden Wulfsdonk naar de Zwarte Gracht toe’, en: ‘De oude aansluiting met de Moere: Terwest-Wulfsdonk-Kreek van de Lieregemse Hoge Maten-Turfmeers en Koude Dreve is thans nog een weinig beduidende watergang, waarin de Bosgracht, de Zwarte- en de Peerdemeersgrachten toevloeien. De Peerdemeersgracht is de eigenlijke oude loop van de Zuidlede. Evolutie van het landschap sinds de 18de eeuwHet Moervaartalluvium vormde ooit een ondoordringbaar gebied van moerassen dat zeer dikwijls overstroomd werd. Om deze overstromingen te beperken werden dijken aangelegd. Toch bleef het een zeer vochtig gebied dat enkel voor hooilandcultuur geschikt was. De toenmalige beste hooilanden waren te vinden op de neutrale, ’s winters natte gronden, waardoor het waterbeheer ook gericht was om tijdens de winter de waterstand tot aan het maaiveld te brengen en tijdens de zomer 40 tot 60 cm onder het maaiveld. Bekijkt men de kaart van de Ferraris (1771-1778), dan ziet men inderdaad een zeer brede, onbewoonde vlakte in gebruik als ‘moerassige weiden’ met trekgrachten, poelen en rechtlijnige bomenrijen langs de dreven. Ook op de kaart van het Militair Geografisch Instituut (1892) bemerkt men dit nog. De ontginnigsgraad is dan wel al duidelijk gestegen met meer wegen, telkens met een bomenrij. Een honderdtal jaar geleden kwamen hier nog prachtige moerassen voor. Crépin (1878) schrijft hierover: “Les vastes prairies tourbeuses qui s’étendent aux bords de Moervaert entre Exaerde et Moerbeke-Les-Lokeren méritent de faire l’objet d’une herborisation” Hij vermeldt 38 soorten waarvan een aantal ons zeker tot de verbeelding spreken. Soorten als Galigaan, Blonde zegge, Spaanse ruiter, Melkeppe, Teer guichelheil, Moeraswederik, Kleine waterweegbree, Gekleurd fonteinkruid (= weegbreefonteinkruid), Addertong, Krabbenscheer en Moeraswespenorchis zijn nu immers allemaal zeldzaam tot zeer zeldzaam geworden in België. Vanhecke (1985) spreekt over deze streek als een klassieke trekpleister voor vroegere botanici. Toen er nog getijdenwerking was in de Moervaart waren er nog houten sluizen aanwezig in het grachtenstelsel van de Moervaartdepressie, mogelijks om tijdens de zomer de percelen te kunnen afwateren bij laag tij en tijdens de winter de percelen te bevloeien tijdens hoogtij. Er zijn historische gegevens dat langs de tijgebonden Durme en Schelde vloeiweiden algemeen aanwezig waren tot circa 1930-1950. De historische bosgebieden zijn schaars, maar goed ontwikkelde historische bossen zijn wel te vinden. De meeste bossen in de omgeving van de Zuidlede zijn ontstaan tussen 1750 en 1850. Na deze periode komen er zowel ontbossingen als nieuwe verbossingen. In de 20ste eeuw begon men met een rationeler gebruik van de alluvia. Het is echter pas in de laatste decennia dat door een sterkere bemaling via 19 pompgemalen deze valleigebieden intensief konden bewerkt worden. Bovendien werden enkele drassige gronden opgehoogd met spoelaarde van de nabijgelegen suikerfabriek of omgevormd tot bezinkingsbekkens, met metershoge dijken, voor diezelfde suikerfabriek. De Moervaartvallei heeft hierdoor een sterke verandering ondergaan. Het huidige landschap in deze vallei wordt nu overheerst door grote akkercomplexen, waarbij de rechtlijnige populierenrijen nog steeds meebepalend zijn. Verspreid liggen enkele populierenaanplanten.
|
| Laatste aanpassing ( woensdag 01 juli 2009 12:05 ) |
