| Het principe van het beheer in de Reepkens |
|
Factoren verantwoordelijk voor het verdwijnen van een soort zijn biotisch (competitie, bejaging, parasitisme en ziekte), isolatie (biotoopeiland) en habitatverandering (geologische verandering, klimaat, catastrofen en de mens). Het is aangetoond dat het verhoogd tempo van verdwijnen van soorten vanaf de vorige eeuw, en natuurlijk ook nu, te wijten is aan de mens. Dit vanwege de vernietiging of bestemmingswijziging van het land en van de daarin beschikbare habitat(s) of bioto(o)pen) in een tempo waarmee de evolutie van flora en fauna (vorming van nieuwe soorten en verdwijnen van soorten) onmogelijk gelijke tred kan houden. Biotoopvernietiging en verandering heeft geleid tot fragmentatie waardoor bepaalde soorten (planten of dieren) moeten uitwijken naar biotoopeilanden. Dit kan op zijn beurt leiden tot lokaal uitsterven. Om dit even te illustreren : momenteel worden tweemaal meer continentale soorten met uitsterven bedreigd dan wel soorten afkomstig van eilanden, toch duidelijke voorbeelden van biotoopeilanden. Verlies van soorten dat is toch geen probleem hoor ik zo. Dat klopt, maar een maximale soortdiversiteit is nodig zelfs voor onze dagelijkse behoeften. Een voorbeeld : het ras Nicola is een goed opbrengende aardappel maar heeft last (score 6/7) van aardappelplaag. Wanneer men hem kruist met Arka bekomt men een kruising, met de mooie naam Franceline, met een verhoogde resistentie tegen de aardappelplaag (score 8). En waar haalt men deze resistente rassen? Juist in het land van oorsprong. Zuid-Amerika, waar ergens in een regio een resistente vorm gevonden wordt. Ter vergelijking, de veelgebruikte eersteling heeft een score van 5 à 6, of te wel zonder spuiten komt men niet toe aan oogst.“Zeldzame” soorten zijn nodig of dus beheer toespitsen op soortbeheer. Een dergelijk beheer houdt in dat de bescherming van een bepaalde doelsoort of soortengroep (bijenorchis – de weidevogel) het doel is van het beheer. Alhoewel deze beheersvorm ontstaan is uit observaties gedaan tijdens ecologische studie, is ze toch duidelijk in strijd met ecologische principes die (1) accepteren dat soorten verdwijnen en die (2) vaststellen dat soorten zich bewegen in biotopen. Dit brengt mij tot de tweede vorm van beheer : het beheer van een biotoop – de levensgemeenschap met bepaalde biotische en abiotische kenmerken. Dergelijk beheer garandeert niet het blijven en overleven van een bepaalde soort. Deze beheersvorm levert een abiotisch/biotisch kader waarbinnen soorten kunnen leven, voortplanten en hopelijk overleven. In een dergelijk beheer wordt niet gestreefd naar het behoud van bepaalde soorten maar naar een maximaal behoud van soorten die in het streefdoel – lees biotoop – thuis horen. Dergelijke biotopen worden dikwijls genoemd naar enkele “overheersende” (dominante) soorten zoals rietland of wilgenbroekbos. Deze soorten fungeren dan eerder als indicatorsoorten van de biotoop dan wel als doelgroep van het beheer : achter deze indicatoren schuilen een hele biotoop van soorten. Voor de Reepkens hebben wij ons geconcentreerd op de volgende biotopen, die keuze wordt steeds gedaan op basis van abiotische (waterhuishouding, type grond, relief, ligging, etc) en biotische waarnemingen, moerasland, broekbos en nat hooiland. Als we deze keuze in Ha uitdrukken wordt een volgende begrip duidelijk : broekbos 10 Ha > moeras 8 Ha > hooiland max 2 Ha. Het begrip is ingreep : verstoring, elke ingreep veroorzaakt verstoring, en betekend dat soortontwikkeling belemmerd wordt. Dit betekent dat ingrepen steeds tot een minimum gehouden moeten worden en dan in een seizoen waarin de invloed minimaal is. Voor de Reepkens betekent dit : geen ingreep in broekbos (is climaxvegetatie voor waterland en dus niet voor niets de grootste blok ); elke 5 jaar maaien in het moeras, en jaarlijks hooien in het hooiland. Dit laatste omvat de meest intensieve ingreep en deze biotoop is slechts houdbaar mits deze ingreep effectief elk jaar uitgevoerd wordt. Het mag ook duidelijk zijn dat hoe meer ingrepen nodig zijn hoe verder de biotoop van een natuurlijk evenwicht afstaat. Daarom ook dat een biotoop zoals een nat hooiland, met zijn rijke flora, slechts te verdedigen is omdat we hier een oude landbouwactiviteit nabootsen. Dergelijk biotoop heeft een historisch karakter dat door de eeuwen heen een specifiek biotisch karakter heeft gecreëerd. Voor de gemeenschap heeft een dergelijk biotoop naast de natuurwaarde dan ook een culturele waarde en daarom, ondanks het werk, willen wij tenminste enkele percelen als dusdanig vrijwaren. Het nut van ingrepen en dus van beheer dient gemeten te worden. De hoeksteen van biotoopbeheer is daarom ook het meten van de soortenrijkdom van de biotoop. De evolutie van de soortenrijkdom geeft aan of beheer goed of slecht gebeurd. Dit is de reden waarom het meten van de aanwezige soorten en hun verspreiding, ook wel “monitoring” genoemd, zo belangrijk is voor het beheer van natuurgebieden. In een volgend artikel wat meer over het nut en de noodzaak van de perimeter van het natuurgebied en het verbinden van natuurgebieden. Tony Briers |
| Laatste aanpassing ( vrijdag 26 juni 2009 11:39 ) |

Natuurbeheer kan men onderverdelen in twee richtingen die beiden hun basis vinden in ecologische studies. Beide soorten van beheer hebben te maken met de vaststelling dat, sinds het begin van de vorige eeuw, soortvorming het niet meer haalt op het uitsterven van soorten. Voor alle duidelijkheid het verdwijnen van soorten is op zich een normaal proces en is onvermijdelijk. Dit geldt ook voor het opduiken van nieuwe soorten.