Turfmeersen, 15 jaar beheerd als natuurgebied

In de loop van 15 jaar beheer is heel wat positief geëvolueerd, maar op sommige beheersdomeinen zijn we nog te weinig gevorderd.

Uitgangsituatie

Het pas aangekochte reservaat leek op het eerste zicht een prachtig natuurdomein, maar al gauw werd het duidelijk dat VERRUIGING en BODEMVERSTORING de deur wijd had opengezet voor de uitbreiding van allerlei DISTELSOORTEN.

Inderdaad, het gebied was grotendeels als akkerland bewerkt geweest. De laatste keer waren er trouwens aardappelen geplant; ze werden niet eens gerooid. Bijgevolg moest DE WIELEWAAL als nieuwe eigenaar de nodige beslissingen nemen en een beheersplan opstellen om vast te leggen wat met het terrein in eerste instantie hoorde te gebeuren. De toenmalige conservators Gerrit Naudts en Danny De Waele hebben zo snel mogelijk het grootste deel van de aardappelbermpjes genivelleerd met een eg. Het was onmogelijk om op de bermpjes te maaien. We hebben het geprobeerd, maar de tractor hotste en botste; voor de vrijwilligers (en de machines) was dit een onhoudbare situatie.

 

We moesten trouwens kordaat ingrijpen want de distelwet was en is nog steeds van toepassing. Distels zijn een waardplant voor talloze organismen, maar ze zijn ook de ergernis van allen die de natuur geen warm hart toedragen. Akkoord, distels kunnen in de landbouw heel hinderlijk zijn, maar in de naaste omgeving waren het allemaal klassieke landbouwbedrijven die toch hun akkers behandelden met herbiciden. De eventueel uitwaaiende distelzaden zouden de akkergewassen niet bedreigen. Ondertussen is de situatie veranderd; ook Moerbeke telt nu een aantal bedrijven die werken volgens de biologische landbouwmethode. Deze maken geen gebruik van herbiciden en zouden dus misschien toch reële hinder kunnen ervaren.

Natuurlijk was het niet enkel de wetgeving die ons in een bepaalde richting duwde; verschraling is de enige mogelijkheid om fauna en flora aan te zetten tot diversificatie.

Distels zijn een belangrijk onderdeel van een evenwichtig ecosysteem, maar ze mogen niet overal overheersen.

Ingezette middelen

Bij aanvang sloten we een beheersovereenkomst af met een paardenhandelaar. Paarden kunnen probleemloos overleven in een verruigd gebied. Zij prefereren vaak stekelige, harde gewassen, bijgevolg waren zij heel geschikt om ons bij te staan bij onze eerste stappen om de situatie wat te normaliseren. De beheersploeg heeft ook heel wat literatuur doorgenomen en studiemomenten ingelast om de situatie beter onder controle te krijgen. Zo leerden we dat ezels klis en distels lusten. Het paardenbestand werd bijgevolg aangevuld door een vaste ploeg ezelinnen. We kregen ook twee bejaarde shetlandpony’s. Bijgevolg hadden we een achttal paarden die het graaswerk deden tijdens de maanden dat het gras groeide en we hadden een viertal ezelinnen en twee poneys die het jaarrond het reservaat begraasden.

Je mag niet vergeten dat deze grazers een heel positief effect hebben op de fauna. De latrines (de plaatsen waar ze hun mest deponeren) zijn een echte trekpleister voor insecten, en bijgevolg ook voor de insecteneters. Het graaspatroon van paardachtigen heeft trouwens ook het voordeel dat het zeer gedifferentieerd is. Bepaalde plekken worden vrijwel volledig kaalgeplukt, andere plaatsen worden vrijwel ongemoeid gelaten.

Maar één van de doelstellingen bleef … de distels verder onder controle krijgen. Al vlug moesten we vaststellen dat mechanisatie de enige uitweg was, zeker voor de eerste jaren van het beheer. Er werden tweedehandstractoren en tandmaaimachines aangeschaft. De conservators hadden veel ervaring met het onderhoud van deze tuigen, met hun kennis bleef het aangekochte materiaal inzetbaar. Er werd eveneens een opraapwagen aangeschaft om de gemaaide vegetatie op één hoop te kunnen voeren. In de vorige eeuw was er geen interesse voor het afgevoerde plantaardige materiaal. Nu wel, een bio boer composteert maaisel, dat hij dan kan inschakelen in zijn bedrijf.

De plaatsen die niet bereikbaar waren voor grote machines werden met de zeis aangepakt. Rondom het reservaat werd met korte zeisen op de doorschietende distels ingehakt. Het waren ook die stroken die niet volledig kaal werden gemaaid en die de nodige dekking gaven aan de aanwezige fauna.

Wij blijven er echter van overtuigd dat het beter zou zijn voor de natuur dat de toepassing van de distelwet zich zou beperken tot de reservaatgrenzen. Nederlandse studies hebben aangetoond dat distelzaad dat verder van 30 meter vliegt vrijwel niet kiemkrachtig is.

Ter zijde: de ons destijds toevertrouwde shetlandponneys stellen het nog steeds goed, niettegenstaande hun hoge leeftijd.

Beheren is enerzijds voortdurend kiezen en anderzijds op lange termijn denken…

Een afgebakende blok van ongeveer 4 ha (noordoost hoek van het reservaat) werd van in den beginne beheerd als hooiweide. Dit houdt in: een maaibeurt tijdens het tweede deel van juni en een stootbegrazing eind september (stootbegrazing = begrazing gedurende zeer korte tijd met veel dieren). Op deze blok zijn we het dichtst gekomen bij het resultaat dat we beoogden bij de aankoop van dit reservaat: de distels zijn grotendeels teruggedrongen, de oorspronkelijke vegetatie van de Moervaart-Zuidlede depressie krijgt er vaste voet aan de grond. Hier wordt best verder gewerkt zoals we bezig zijn. Monitoring door plantenwerkgroepen moet uitmaken of we het beheer kunnen aanhouden of dat we toch nog andere beheersmiddelen moeten inschakelen. Op termijn is het wenselijk dat op dit deel van het reservaat de oude grachtprofielen worden heraangelegd: waterminnende levensvormen zullen hier beslist positief op reageren. Dit is trouwens één van de basisdoelstellingen van de Turfmeersen: het creëren van een waterrijk biotoop. Dit is geen luxe als je weet dat in Vlaanderen de verdroging verder in opmars is.

 In de rest van het reservaat bestaat de hoofdmoot van het beheer uit seizoensbegrazing. Dit betekent dat tijdens de seizoenen dat de vegetatie sterk groeit de hulp wordt ingeroepen van (grote) grazers. Zoals eerder gemeld waren dit in het begin vooral paarden, nu vooral runderen. Runderen passen beter bij de “vaste graasploeg” van ezelinnen en pony’s. Runderen grazen egaler en hebben geen specifieke plekken waar ze hun uitwerpselen deponeren. Runderen hebben ook minder vaste ligplaatsen en zoeken geen (zandige) plekken waar ze een zandbad kunnen nemen.

Na dertien jaar beheer kwam de beheersploeg tot het besluit dat het hierboven beschreven systeem nog moest bijgeschaafd worden. De distels bleven te manifest aanwezig en op een derde van de reservaatoppervlakte kregen we de verruiging niet echt onder controle. In overleg met de landbouwers die ons bij het beheer helpen werd besloten om gedurende drie jaar de vegetatie een aantal keren per jaar te maaien en af te voeren met als doel de ruigteplanten (o.m. distels, netels) sneller terug te dringen.

De voedselarme plekken worden steeds groter. Op de zandige droge heuvels heeft zich een vegetatie gevestigd die van ver herkenbaar is door het grote hoeveelheid Jacobkruiskruid. Op de vochtige lage delen vinden we massaal Witte Klaver, een plant die niet kan overleven op een bodem die te rijk is aan stikstof.

Buiten de prikkeldraadafsluiting aan de noordkant en de oostkant van het reservaat vinden we één grote ruigte, die we langzaam maar zeker willen omvormen tot een gevarieerde strook met vooral aandacht voor het riet. Het is momenteel vooral conservator Lou die de werken in deze zones jaar na jaar goed opvolgt. Elke winter maait hij (met de maaibalk) een deel van deze buitenranden. Daarna komen vrijwilligershanden het werk lichter maken: eerst wordt alles op bermen samengetrokken, daarna wordt alles met een kar weggevoerd naar een nabijgelegen bio boerderij. Daar wordt alles verwerkt tot compost.

Iedere winter worden daar ook een aantal struiken omgehakt of geknot. Riet kan slechts uitbreiden als het niet wordt gehinderd door houtige gewassen of teveel (voedselrijke) bladval. De noordstrook moet zeker jaarlijks aangepakt worden omdat daar heel veel els en wilgenzaailingen opduiken. De maaibalk kan geen wilgenhout maaien dat dikker is dan een duim!Naar de toekomst toe zullen we ook in deze stroken de oorspronkelijke waterlopen trachten in ere te herstellen. Niet om te ontwateren natuurlijk, maar om op vlak van vegetatie meer variatie te creëren en de aanwezige zaadbanken bloot te leggen.

Enkele besluiten

Het reservaat De Turfmeersen heeft nog niet al zijn geheimen prijs gegeven. Dit is niet verwonderlijk: 15 jaar beheer is een peulschil in de (biologische) evolutie van een landschap.

Ook in een reservaat als dit is de factor “klimaatswijziging” beslist voelbaar. Extreem natte of droge periodes geven vaak aanleiding tot extreme waarnemingen. Een voorbeeld: als er gedurende een paar maanden veel water op het terrein is blijven staan smelt het probleem van de distels zienderogen: distels houden niet van natte voeten! Anderzijds wordt het reservaat soms kurkdroog met als oorzaak extreem lange droge periodes, gecombineerd met het teveel wegpompen van water door het polderbestuur. Ligt hierin een groot deel van de verklaring dat de vegetatie nog steeds geen stabiliteit heeft bereikt?

Verschillende waarnemingen geven aan dat heel wat “leven” ons reservaat weet te appreciëren. Veel dieren verblijven er sedentair, anderen kiezen ons reservaat uit op hun trektochten.

Enkele waarnemingen: bergeend, kuifeend, bruine kiekendief, velduil, ransuil, steenuil, kerkuil, bunzing, hermelijn … Studie op dit vlak is een zorg voor de nabije toekomst. Is iemand geïnteresseerd om waarnemingen te doen en deze informatie te bundelen? Ons tijdschrift is een adequaat forum om deze informatie met anderen te delen. (Zie ook waarnemingen.be)

Herwig De Bruycker (november 2007)

Laatste aanpassing ( vrijdag 26 juni 2009 11:42 )